- KARDINAAL VAN DE H. ROOMSE KERK -
Inleiding
- Kardinaal van de Heilige Roomse Kerk (Lat.: Sanctae Romanae Ecclesiae Cardinalis) is na het Pausschap het hoogste ambt in de Rooms-Katholieke Kerk. Om die reden werden kardina- len vroeger wel de "prinsen der Kerk" genoemd.
- Het kardinaalschap wordt door de Paus als hoogst mogelijke gunstbewijs verleend aan verdienstelijke (aarts)bisschoppen.
- Alszodanig gelden zij vanoudsher als topad- viseurs van de Paus, maar belangrijker is dat zij de taak hebben om na het overlijden van de zittende Paus een nieuwe Paus te kiezen (zie daarover de procedures tijdens de Sede Va- cante).
Benoeming
- Kardinalen worden door de Paus persoonlijk en op eigen initiatief benoemd. Hierbij volgt eerst de bekendmaking van de namen van de begunstigden, die dan vervolgens korte tijd later op een consistorie-vergadering officieel word- en "gecreëerd", zoals de verheffing tot kardinaal traditioneel heet.
- De Paus kan een kardinaal ook "in zijn hart" (Lat.: in pectore; It.: in petto) benoemen: dat wil zeggen dat die persoon wel officieel benoemd is en als kardinaal geldt, alleen wordt diens naam (nog) niet bekend gemaakt, bij- voorbeeld wanneer dat onwenselijke gevolgen zou kunnen hebben vanwege diens positie of het land waarin hij verblijft.
- Alle kardinalen zijn automatisch lid van het College van Kardinalen.
Uitreiking
- De creatie geschiedt doordat de Paus tijdens een openbare plechtigheid aan elke kandidaat de rode bonnet en de bijbehorende benoemingsoorkonde overhandigt. Tijdens het eerste consistorie van paus Benedictus XVI kregen de kardinalen hun traditionele kardinaalsring uitgereikt tijdens de mis op de daaropvolgende dag.
- Hierbij leggen de nieuwe kardinalen de volgende eed af:
"Ik N.N., kardinaal van de Heilige Kerk van Rome, beloof en zweer van nu af tot mijn dood altijd trouw te zijn aan Christus en zijn Evangelie en voortdu- rend gehoorzaam te zijn aan de Heilige Roomse Apostolische Kerk en aan de Heilige Petrus in de persoon van de Opperpriester (naam van de Paus) en zijn wettig gekozen opvolgers; en ik beloof en zweer altijd de gemeenschap met de Katholieke Kerk te bewaren, in woord en gedachte; geen geheimen die aan mij werden toevertrouwd te onthullen, noch zaken die de Heilige Kerk kunnen beschadigen of onteren; met grote ijver en trouw de taken uit te voeren waartoe ik bij mijn dienst aan de Kerk geroepen ben in overeen- stemming met de wet. Zo helpe mij God Almachtig."
Paus Johannes Paulus II overhandigt in 2003 de rode bonnet aan de aartsbisschop van Florence, mgr. Ennio Antonelli
Kandidaten
- In vroeger eeuwen kon elke man die de Paus dat ambt waardig achtte tot kardinaal worden verheven, ongeacht of hij leek was, danwel tot diaken, priester of bisschop gewijd was. Het kardinaalschap was strikt genomen immers niet veel meer dan een eretitel waaraan geen liturgische of andere taken aan verbonden zijn die een wijding noodzakelijk maken.
- Paus Johannes XXIII besloot echter in 1962 om alle toenmalige kardinalen tot bisschop te laten wijden, zodat zij alszodanig aan het Tweede Vaticaans Concilie konden deelnemen. Sindsdien is het regel dat tenminste alle stem- gerechtigde kardinalen de bisschopswijding moeten hebben ontvangen. Een uitzondering op deze regel kan gemaakt worden voor kardinalen die bij hun benoeming reeds 80 jaar of ouder zijn.
- Hoewel de Paus in principe vrij is in zijn keuze, geldt dat de hoogste kerke- lijke functionarissen, waaronder de prefecten van de congregaties van de Romeinse Curie, alsmede de aartsbisschoppen op eerbiedwaardige zetels per traditie voor dit ambt in aanmerking komen.
- Daarnaast komt het voor dat de Paus als blijk van bijzondere persoonlijke genegenheid en waardering enkele personen tot kardinaal verheft die geen bisschop, maar priester zijn. Bijna altijd betreft het dan kandidaten die reeds ouder dan 80 jaar zijn, zodat zij niet meer aan het conclaaf kunnen deelne- men. Een voorbeeld hiervan was Gustaaf Joos, pastoor van Landskouter in België en oude vriend van paus Johannes Paulus II, die hem in 2003, op 80-jarige leeftijd, tot kardinaal benoemde.
Aantal
- In de Middeleeuwen lag het aantal kardinalen doorgaans tussen de 20 en de 30, hoewel er maximaal 53 plaatsen te vergeven waren. Paus Sixtus V stelde in 1586 het maximum aantal kardinalen op 70, dit naar het voorbeeld van de 70 mannen die door Mozes (Exodus 24,1) en door Jezus (Lucas 10,1) gekozen werden.
- Onder paus Johannes XXIII steeg het aantal kardinalen echter tot boven de 80 en zag paus Paulus VI zich genoodzaakt om het maximumaantal op 120 te stellen, exclusief degenen die ouder dan 80 jaar en daardoor niet stemgerechtigd zijn.
Kledij
- Als kledij voor bijzondere gelegenheden draagt een kardinaal een zwarte toog (soutane) met schoudermantel, voorzien van een rode zoom, rode kno- pen en een rode sjerp. Eventueel kan hieroverheen een rode, tot de voeten reikende cape (It.: ferraiuolo) gedragen worden.
|
Koorkledij
|
- Als koorkledij draagt hij een volledig rode toog met rode sjerp, waaroverheen een rochet (met kant versierd halflang wit koorhemd met smalle mouwen) en tenslotte daaroverheen weer een rode schoudermantel (It.: mozetta). Als hoofd- deksel draagt een kardinaal hierbij een rode bon- net (It.: biretta) met drie opstaande ribben, maar zonder pompoen.
- Nog slechts heel zelden wordt bij plechtige gele- genheden hieroverheen de kenmerkende rode cap- pa magna gedragen: een zeer lange en wijde, vaak met hermelijn gevoerde mantel met een bre- de omslag om de schouders, die ook als een soort capuchon over het hoofd getrokken kon worden.
- Aangezien nagenoeg alle kardinalen tegenwoor- dig ook (aarts)bisschop zijn, dragen zij eveneens de bij die waardigheid horende attributen. Als bij- zonder teken van het kardinaalschap werd tradi- tioneel nog een met een robijn bezette kardinaalsring gedragen, maar tegen- woordig zijn de ringen doorgaans soberder uitgevoerd.
Symboliek
- Het (scharlaken)rood als kenmerkende kleur van het kardinaalschap staat als meest intense en koninklijke kleur niet alleen voor de verhevenheid van dit ambt, maar symboliseert ook dat kardinalen worden geacht de Kerk te verdedigen, zelfs als dit ten koste mocht gaan van hun eigen bloed en leven. Hiermee wordt tevens het bloed van de martelaren in herinnering geroepen.
Titulatuur
- Adressering: Zijne Excellentie N.N.
- Aanhef: Excellentie
- Aanspreektitel: Eminentie
Heraldiek
- Een kardinaal mag boven zijn wapenschild een rode prelatenhoed voeren, die ter aan- duiding van zijn rang aan weerszijden voorzien mag zijn van telkens 15 en dus in totaal 30 rode kwasten.
- Afhankelijk van of betreffende kardinaal tevens bisschop danwel aartsbisschop is, mag hij bovendien een gewoon, resp. twee-armig processiekruis achter zijn schild plaatsen.
Links
- Officiële Homepage: English - Deutsch - Français 
- Wikipedia-artikelen: Kardinaal - Kardinal - Cardinal - Cardinal 
- Artikel in de Catholic Encyclopedia: Cardinal (1908) 
- Uitgebreide info en overzichten: Cardinals of the Holy Roman Church 
- Standpunten van vele kardinalen: www.cardinalrating.com 
- Website voor het conclaaf: De Pausmakers 
Geschiedenis
- Kardinalen waren oorspronkelijk geestelijken die in het bisdom Rome werd- en ingeschakeld ("geïncardineerd") om speciale taken te verrichten: diakens om diaconale taken in de stad te verrichten, priesters om speciale vieringen te houden in de 28 hoofdkerken van de stad en bisschoppen van de omlig- gende suburbicaire bisdommen om speciale diensten in de kathedraal van het bisdom Rome, de Sint-Jan van Lateranen, te verrichten.
- Wat later kregen deze diakens de leiding over de 7 diaconiën van de stad en deze priesters de leiding over betreffende kerken, de zgn. titelkerken. De bisschoppen bleven evenwel tot 1962 pastoraal verantwoordelijk voor hun suburbicaire bisdommen.
- Hedentendage krijgen alle tot kardinaal benoemde geestelijken zo'n sub- urbicair bisdom, titelkerk of diaconaat toegewezen, waarmee zij pro forma deel gaan uitmaken van de Romeinse geestelijkheid (zie daarover: Titel- kerken). Dat is van belang omdat zij dan volgens de manier zoals die in de oudste tijden gebruikelijk was, gerechtigd zijn om een nieuwe bisschop te kiezen: de Paus.
- Als belangrijkste geestelijken van Rome werden de kardinalen al gauw de raadgevers van hun bisschop. Deze positie leidde ertoe dat in 1059 bepaald werd dat voortaan alleen zij een nieuwe bisschop en daarmee dus een nieuwe Paus mochten kiezen.
|
Theodor kardinaal Innitzer (1875-1955) in koorkledij met cappa magna
|
- Vanaf de 11e eeuw werden in toene- mende mate ook priesters en bis- schoppen die elders in Europa verble- ven tot kardinaal verheven. Zij dien- den dan hun zetel op te geven en zich in Rome te vestigen. Toen in de loop van de 16e eeuw de rol van de kardi- nalen bij het bestuur van de wereld- kerk minder belangrijk werd, hoefden de kardinalen van buiten Rome niet meer permanent aldaar te verblijven. Iets dat nog heden ten dage zo is.
- De in Rome verblijvende kardinalen vervulden een rol die vergelijkbaar was met die van de adel aan het hof van een wereldlijk vorst. Zij hadden daar- door een zeer hoge status, die tot uitdrukking kwam in pompeuze statie en vaak grote weelde. Het grote verschil tussen de kardinalen en de wereldlijke adel was dat de kardinalen de volgende Paus konden kiezen en daardoor een meer directe invloed op hun "vorst" hadden dan de adel.
|