- GESCHIEDENIS -
Adel
- Oorspronkelijk bestond de adel uit mensen die een zgn. herenleven leidden, dat wil zeggen zij die niet zelf hoefden te werken om in hun levensonder- houd te voorzien. Dat was mogelijk door (groot)grondbezit, in (allodiaal) eigendom, danwel in leen gehouden van een leenheer. In beide gevallen zou de erfelijkheid van de grond leiden tot de erfelijkheid van de adeldom.
Keizer
- Vanaf de late Middeleeuwen werd adeldom ook verleend door de Keizer van het Heilige Roomse (of Rooms-Duitse) Rijk. Middels een adelsdiploma werden zowel (hogere) titels verleend aan personen die reeds van adel waren, alsook adeldom aan hen die dit tot dan toe nog niet waren (de zgn. briefadel).
- Dit verlenen van adeldom en adellijke titels was een voorrecht dat aan de Keizer toekwam, aangezien hij de hoogste wereldlijke gezagsdrager en opperste leenheer van de Christenheid was.
Paus
- Zoals de Keizer de hoogste wereldlijke gezagsdrager was, was de Paus de hoogste geestelijke gezagdrager, beide met een universeel gezag dat zich uitstrekte over geheel de christelijke wereld.
- Vanuit die positie, en omdat de Paus in die tijd ook wereldlijk gezag claim- de, hebben ook de pausen sinds de late Middeleeuwen adeldom en adellijke titels verleend aan verdienstelijke personen in geheel christelijk Europa.
Regelgeving
- In de bul Urbem Romam van 12 januari 1745 stelde paus Benedictus XIV regels op voor het bestuur van Rome en bepaalde daarbij onder meer dat 180 families die in het verleden de belangrijkste functies in Rome hadden vervuld, de erfelijke adel vormden. De hoofden van 60 van deze families werden aangemerkt als "Nobilis Romani Conscripti" en tenslotte werden de gewone leenmannen van de pauselijke staten alsmede zij die de Romeinse adeldom door verlening of door het vervullen van bepaalde functies hadden verkregen erkend als zijnde "gewone" "(cives) nobilis romani".
Neergang
- Na de Napoleontische bezetting herstelde paus Pius VII de onder Frans bewind afgeschafte pauselijke adel, zij het dat de feodale voorrechten lang- zaam aan werden afgebouwd en de adel een sociaal bevoorrechte groep werd, voor wie bepaalde ambten gereserveerd bleven.
- De val van Rome in 1870 betekende het definitieve einde van de staats- rechtelijke positie van de Romeinse adel.
Opleving
- In de tweede helft van de 19e eeuw, en vooral onder paus Pius IX, nam het aantal nobilitaties van met name Italianen aanzienlijk toe. Dit moet gezien worden als een middel om vooraanstaande mensen aan het Paus- schap te binden en van het opkomende Liberalisme af te houden.
- Ondanks dit meer politieke gebruik van de pauselijke adeldom, zijn er geen aanwijzingen dat deze ook voor geld te koop was, overmatig vaak of onzorgvuldig verleend werd, zoals soms neerbuigend of spottend beweerd werd.
Egalisering
- Als uitvloeisel van het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) kwam ten- slotte ook een eind aan de pauselijke adel als sociaal bevoorrechte groep, toen paus Paulus VI bij motu proprio Pontificalis Domus van 28 maart 1968 bepaalde dat er voortaan geen erefuncties meer voor de adel gereserveerd konden worden. Daarmee is de Romeinse adel opgegaan in de Italiaanse adel, hoewel het verschil hier en daar nog voortleeft.
In onbruik
- Hoewel de Paus formeel geen afstand gedaan van het recht om adels- gunsten te verlenen, kan men zeggen dat dit recht waarschijnlijk definitief in onbruik is geraakt, aangezien de laatste verlening (van een persoonlijke graventitel) in 1966 plaatsvond.
- Er doen soms geruchten de ronde als zou paus Johannes Paulus II adeldom hebben verleend aan enkele Italianen en/of Polen, maar er is niets dat deze geruchten ook maar op enigerlei wijze bevestigt.
Literatuur
- G.N. Westerouen van Meeteren: Op zoek naar de pauselijke adel, in: De Nederlandse Leeuw, Jrg. CXVIII (2001) No. 5-6, Kol. 467-490
|